De hemelen spreken

DE HEMELEN SPREKEN
Ik zeg U:
Door de hemelen zult ge het kosmisch bewustzijn ontvangen.
Ge zult niet meer behoeven te geloven, maar ge zult weten WIE BEN IK? vraagt de theoloog en JOZEF RULOF geeft hem het antwoord door Meester Alcar.

Het woord, dat tot u komt, is niet van uw wereld. Maak u gereed voor openbaringen, ge zult profetieën beleven. Zij, die tot u spreken, komen uit
de naam van God, van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest
tot u, d.w.z.: ZIJ WETEN, WAAROVER ZIJ SPREKEN. U krijgt allereerst een
inleiding voor de Eeuw van Christus. Toen de Messias op Golgotha zijn
ogen sloot had HIJ nog heel veel te zeggen. Of denkt gij dat dit nog
niet zo is? Hebt gij u al eens afgevraagd, wat Christus eigenlijk de mensheid
wilde schenken? Wat Hij ons had willen brengen, Hem die men heeft
veracht en bezoedeld? Waarlijk, mijn zusters en broeders, Christus had nog
heel veel te zeggen, maar tussen 32- en 33- jarige leeftijd heeft men Hem
vermoord. Toen Hij terugkeerde in Zijn Koninkrijk Gods, riep Hij de
engelen uit de Hemel bijeen. Gelooft u aan engelen? Is u geleerd, dat er
waarlijk engelen zijn tussen leven dood, of moeten wij u daarvan
overtuigen? Christus riep Zijn engelen bijeen, Zijn afgezanten, en zeide;
“Ge hebt gezien, ge hebt beleefd hoe men Mij op aarde heeft ontvangen.
Heb ik dat gewild? Waarvoor heeft God Mij naar de aarde gezonden?
Waarom stuurde Mijn Vader Mij vanuit het AL tot de stoffelijke mensheid?
Wist Ik van tevoren, dat men Mij zou ombrengen en wat had Ik waarlijk
willen geven aan de mensheid? Voelt ge, dat mijn leven is vernietigd. Had ik
meer kunnen schenken dan ik tot nu toe heb gedaan? Gaat met Mij terug
naar de aarde “.
Christus keerde opnieuw terug, korte tijd slechts, om zich met de apostelen
te verbinden. Hij toonde tevens de meesters uit de hemelen aan wat er
gedaan zou kunnen Worden voor de aardse mensheid. En toen dat voorbij
was keerde Hij terug naar Zijn goddelijke afstemming. Hij keerde terug in
het Al om daar met de anderen uit Zijn leven het Goddelijk werk voort te
zetten. Wat nu geschiedde, geschiedde met een vast plan, een vast doel. De
apostelen kregen verbinding met een hogere wereld. Zij hebben stemmen
horen spreken; enigen kwamen tot bewustzijn en spraken in andere
talen, of zij vertegenwoordigden een hogere wijsheid en die wijsheid
zouden ZIJ aan de mensheid schenken. Hoe het leven van de apostelen is
geweest, hebt ge leren kennen. Een voor één hebben ze hun eigen leven
moeten inzetten. Stuk voor stuk werden zij bezoedeld en gemarteld, omdat
de mensheid de hogere bewustwording van Christus niet begreep. Ook ik
leefde toen op aarde en velen van u: u zult aanstonds, als wij aan het boek
beginnen, begrijpen. We leefden in de tijd van Christus en hebben wellicht
mede Zijn leven bezoedeld. Toen de apostelen het aardse leven vaarwel
hadden gezegd, zij de hemelen binnentraden, dachten zij hun meester voor
zich te zullen zien. Zij werden opgevangen door de engelen, door kosmisch
bewuste zielen, die hun vertelden, waar hun meester eigenlijk vertoefde.
Allen zonderden zich af en gingen in meditatie. Zij voelden, dat zij toch
aanstonds hun meester zouden ontmoeten. Mijn geliefden, het woord, dat
u thans van mij zult ontvangen, behoort mij niet toe, ook al beleefde ik
de hoogste regionen. Het woord van Christus, dat ik nu zal spreken. ligt
vast. Bloemen hebben het woord door hun kleur vertolkt; de hemelen
verrijkten er hun schoonheid mee, het woord is bewust gemaakt voor
elkeen, die de afstemming heeft om het Koninkrijk Gods in ons leven te
beleven. Al het leven, de tempels, gebouwen, bloemen, mensen, dieren – de
vogelen der sferen -, hebben het levenslicht moeten aanvaarden door dit
woord omdat daardoor de heiligheid van het wonder zich kon
manifesteren.
Toen de apostelen dit begrepen, konden zij zich overgeven op de volle
honderd procent aan hun meester, want zij wilden weten. Eén onder hen
was er niet: judas. Geen hunner vroeg naar Judas. Ook de apostelen
dachten, dat judas eeuwig was verdoemd.
Toen het grote ogenblik kwam en zij door het leven van de natuur tot
eenheid kwamen, verscheen Christus hun. De apostelen knielden neer en
lagen aan de voeten van hun Meester,
“Meester,” zeide Petrus, “kunt gij mij thans vergeven? Nu zou ik het willen
uitdragen, ik zou mijn leven opnieuw willen inzetten voor uw heiligheid”
Johannes en de anderen traden naar voren, ze konden niets uitbrengen.
Weer zeide Petrus:
“Als gij de Messias zijt, kunt ge mij hiervoor toch een nieuw lichaam
schenken?”
Toen sprak Christus: “Hebt ge een nieuw lichaam nodig? Wilt ge opnieuw
gemarteld Worden door de demonen der hel?”
Petrus zweeg een wijle. Toen vroeg hij:
“Is het mogelijk meester, dat wij een nieuw lichaam kunnen ontvangen, dat
wij opnieuw geboren kunnen worden?”
“Gaat zien,” zeide Christus, “verbindt U met het leven in de natuur, maakt
u één met de ruimte, waarin ge leeft. Voelt aan wat het zeggen wil de
hemelen te betreden, die door Mijn Vader zijn geschapen, maar die ge zelf
hebt verdiend’
De apostelen keken hun meester aan en vroegen bijna tegelijk:
“Kan dat?” Christus zeide:
“Ik had de mensheid met leven en dood willen verbinden. Ik had de
mensheid tot de maan gevoerd, tot al de centrale stelsels van de ruimte,
die door Mijn Vader zijn geschapen. Ik, als Gods Zoon, had de mensheid
van de aarde al de wettelijke macht in handen gegeven, die in Mij is, want
Ik heb haar beleefd. Ik had de mensheid in Mij opgetrokken. Wij hadden
reizen kunnen maken door de onmetelijkheid van God, ja Ik had de
mensheid de Moeder Gods willen doen leren kennen.”
De Moeder Gods, hoort gij, mijn geliefden? De Moeder Gods waaruit God
als Vader en als Moeder zich heeft kunnen manifesteren, zich heeft kunnen
openbaren, waarvan gij hier op aarde nog niets weet. Christus had de
mensheid door al de levensgraden van de ruimte willen voeren en niet
alleen door die voor het uitspansel, waarin gij leeft, maar ook door de
hogere kosmische graden, de vierde, de vijfde, de zesde, de zevende, door
het Al, die allen zijn ontstaan door de levende God, de God van al het
leven. Christus had u de eerste openbaringen willen tonen. Hij zeide tegen
Zijn apostelen:
“Gaf de mensheid Mij daarvoor de gelegenheid? Heeft de mensheid Mij
aanvaard, zo dat Ik dit tot stand kon brengen? Ik wilde de mensheid, de
aardse mensheid, in Mijn leven optrekken en terugvoeren tot God. Voelt
ge, mijn kinderen, dat het niet mogelijk is geweest? Komt, gaat met mij, ik
zal u de wonderen van mijn Vader tonen.”
Mijn geliefden, broeders en zusters van deze wereld, toen mochten de
apostelen vragen stellen en ze hebben vragen gesteld, tot in het oneindige
toe. Toen zij verzadigd waren en Christus hun het laatste woord
geschonken had, loste Hij voor hun ogen op.
“Ik ben wachtende,” hoorden ze nog, toen de verschijning van Christus
voor hen was heengegaan.
“Ik ben wachtende op u in de sferen van het Goddelijke Al. Bij God de
Vader en God als Moeder zullen wij elkaar terugzien, maar vertel de
mensheid, dat gij het kosmisch bewustzijn hebt ontvangen, dat gij in staat
zijt haar op te trekken, doch gaat zien en overtuigt u of het mogelijk is, en
ge weet dan waarom Ik de kruisdood ben ingegaan.”
En toen sloegen de apostelen tegen de grond, zij konden niet meer, zo
ontzaglijk was de macht van dit gebeuren. Zij gingen terug naar de aarde
en moesten aanvaarden, dat deze mensheid nog niet was te bereiken. Zij
keerden terug in het verleden van de mensheid en gingen graad na graad,
voetstap na voetstap na die de mensheid in de voorbije eeuwen had
afgelegd.
Petrus zeide tot Johannes:
“Ge ziet, toen ik op aarde leefde, zag ik in de ogen van Moeder Maan en
op de dag keek ik in de ogen van mijn Vader Zon, die toch, zoals wij al
hebben gevoeld, moeder is. En nu, nu wij bezig zijn om de goddelijke
wetten als levensgraden en wetten te beleven, en nu wij voor ons ruimtelijk
ik staan en de onmetelijkheid van God leren kennen, zie ik hoe
onbarmhartig de mensheid het leven van God heeft bezoedeld.”
De elf apostelen togen op weg naar de Maan. Zij moesten echter nog
verder, zij keerde terug tot in de eerste Goddelijke astrale openbaringen,
d.w.z. in het stadium toen God nog zichtbaar was, want wat ge nu nog in
de ruimte waarneemt zijn stoffelijke openbaringen. Toen zij de Goddelijke
Openbaringen hadden beleefd en in de ruimte van God zichzelf leerden
kennen, daarin het Goddelijke woord ontvingen, toen hun levens werden
opgetrokken en Johannes, Petrus en de anderen zich achtereenvolgens
bezield voelden, en de anderen luisterden, dachten zij waanzinnig te zijn
geworden. De apostelen van Christus dachten, dat de waanzin van de
ruimte hen was overvallen, want het woord dat tot hen kwam ging verder
en verder en was in geen vergelijking meer met dat wat zij op aarde
hadden mogen beleven. Wat zij op aarde hadden beleefd was kinderspel,
nu leefden zij als bewuste zielen en zweefden voort in de onmetelijkheid
van God, in licht en duisternis en kleur, en voelden zich desondanks klein
onder de macht van het beleefde. De woorden van de eerste kinderen van
Christus, Zijn adepten, liggen nog in de ruimte vast en wij als kosmisch
bewusten kunnen hen beleven en opnieuw volgen. Ik zal mij instellen op
het woord, dat Petrus tot Johannes heeft gesproken. Johannes is bezield.
Hij staat daar als een levende God, hij beweegt zich, betast zich en denkt
waanzinnig te worden:
“Zie mij aan, Petrus, voel me aan, kunt ge mij verklaren of ik één woord
verkeerd zeg. Ben ik nog steeds bij bewustzijn? Want hoor wat ik in me
hoor spreken, het is een stem, die sterker is dan ik. Het is, geloof ik, de
stem, die deze ruimte heeft geschapen, waarvan ik deel uitmaak. Ik hoor
haar goed, want de vonk Gods spreekt in mijn leven. Ik ga zien, dat ik ziel
ben van zijn ziel, vonk van zijn vonk, leven van zijn leven. Nu spreekt dan
toch”
Johannes laat zich gaan. Hij stelt zich open zoals ook dit leven door hetwelk
ik thans spreek en dat zich zoëven moest openstellen voor de wetten van
God. Hij gaf zich over als een klein kind, dat nog leeft onder het hart van
de moeder, want het reeds geboren kind voelt en kijkt en dit geeft
bewustzijn.
Johannes zinkt weg, hij zinkt in een onverklaarbare diepte. Hij zegt:
“Ik ben onmetelijk, waaraan ik nooit heb gedacht. Petrus, zeg mij, wie me
deze genade schenkt. Zie en voel. De welsprekendheid van deze ruimte is in
mij gekomen. Geef mij één woord, dat gij het zijt, als Ge hier zijt! Laat ons
voelen en zien, zodat wij kunnen aanvaarden. Ik wil niet meer geloven, ik
wil zien en weten! Geloof mij, als ik dit op aarde had gekend, zou ik de
mensheid overtuigd hebben van uw Goddelijkheid, van de wetten, waarin
wij leven en tot bewustzijn komen. Het Goddelijke Al spreekt in mijn ziel en
zal mijn hart stuwen tot de laatste ogenblik. En dan ben ik God, ja dat ben
ik. Christus is het, die mij tot rust en tot denken aanspoort. Indien ik deze
hulp niet had ontvangen, Petrus, zou mijn hart hebben gebeefd van deze
heilige overtuiging. De wetten van God drukken mij neer. Ik zal zijn, zoals
Hij is en ons heeft geschapen. Ik zal zijn een kind van Hem, vonk van Zijn
vonk, vuur van Zijn vuur, wet van Zijn wet. Ik zal zijn: offervaardigheid en
dienende liefde, of ik zou wegzinken in deze onmetelijkheid, waarin ik ben,
en oplossen. Ik wil deze wetten leren kennen. Ik wil ze mij eigen maken,
want ik voel, het zijn de stoffelijke openbaringen van Hem, waarover onze
meester heeft gesproken.”
Toen Johannes goddelijk werd aangeraakt, de stilte van de onmetelijkheid
in hem kwam, toen, mijn geliefden, sprak er een stem, die zeide:
“voelt gij, kinderen van de levende God, dat ge zijt opgetrokken in Zijn
leven, in Zijn voelen en denken, in Zijn zien, of zijt ge angstvallig om het
kleine ikje dat ge bezit, te verliezen? Weet gij wie ik ben? Ik ben
onzichtbaar voor u en toch in U. Ik leef in de ruimte en ge ontvangt mijn
woord. Ik ben een goddelijke bewuste.”
De stem zweeg. Petrus zeide tot Johannes:
“Hij is het. Hoort ge zijn timbre? Als Hij diep ontroerd was en met ons over
de aarde ging. Ik heb Hem zo horen spreken als Hij Zijn wonderen deed en
in de tijd, dat Hij zich ging afzonderen en ons niet meer wilde zien, toen Hij
zich gereedmaakte voor de kruisdood. Daarin lag het timbre van dit
ogenblik. Zijn ziel, zijn persoonlijkheid, zijn goddelijkheid manifesteerden
zich voor ons leven. Dit timbre heb ik op de Calvarieberg gevoeld. Het was
niet te spreken, ik kon het niet vertolken, het was geen verdicht geluid, dat
stoffelijk was en levensvatbaarheid heeft ontvangen. Het leefde astraal en
kwam in mijn ziel. Nu weet ik het. Ik ben vonk van Zijn vonk, leven van
Zijn leven, ziel van Zijn ziel. Laat ons verder gaan, Johannes.”
En toen, mijn geliefden, gingen zij hand in hand verder, terug tot de Vader,
tot de God van al het leven, tot de God van de stoffelijke en astrale
openbaringen, tot de God van de onmetelijkheid, waarin zij waren, Die
hemel en aarde, zon, maan en sterren, mens, dier en plant heeft
geschapen. En toen, sloten zij hun ogen en werd het duister. Petrus ging
verder. Hij verplaatste zich miljoenen jaren verder en keerde tot de aarde
terug.
“Er is geen einde,” zegt hij, Johannes, er is geen einde in deze ruimte te
beleven. De God van al het leven is oneindig en ik ben vonk van Zijn vonk,
leven van Zijn leven, ziel van Zijn ziel. Hadden wij dit op aarde moge
bereiken, dan zouden Wij de gehele mensheid hebben mogen overtuigen en
bezielen van de God als een Vader en Moeder van Liefde.”
Toen gingen zij verder tot in de moeder Gods, waarover ik nu niet kan
spreken, want de meester, die het werk “De Volkeren der Aarde” heeft
vastgelegd, heeft deze heiligheid door de meesters uit de hoogste hemelen
ontvangen en zal het woord aan u doorgeven. Petrus en de anderen
keerden terug naar Moeder Maan. ZIJ hadden meegemaakt, dat het
universum zich ging verdichten. Zij beleefden de astrale Goddelijke
Openbaringen die zich hebben verstoffelijkten, en eindelijk het ogenblik, dat
het universum der drie levensgraden uiteenspatte in myriaden vonken
en dat ook die vonken het evolutieproces van God voortzetten. Zij volgden
zon en maan en bleven in de drie kosmische levensgraden, het uitspansel
waarin u leeft en waartoe Zon, Maan en Mars behoren, die hun
levensvatbaarheid hebben gekregen als levengevende lichamen, waardoor u
als mens zijt geschapen. Hoort gij? Is er in u geweest een
minderwaardigheidscomplex? Is er in de jaren, die voorbij zijn gegaan, op
uw leven geslagen en zijn er mensen daaraan ten onder gegaan, dan kan ik
u verzekeren dat gij Goden zijt, want Christus had de mensheid het
godenrijk willen schenken. Christus had de mensheid met Mozes en de
eerste profeten willen verbinden. Hij had de mensheid het kosmisch
bewustzijn willen schenken, zodat de enkeling, de massa en de mensheid
een hogere bewustwording hadden ontvangen. Dat hebben de apostelen in
het leven na de dood moeten aanvaarden, en toen zij daarmede gereed
waren en zij de aardse wetten, de stoffelijke levensgraden, door Moeder
Aarde geschapen, zich hadden eigen gemaakt, zij het vader- en
moederschap voor plant, dier en mens ruimtelijk konden vaststellen en zij
beleefden, dat zon, maan en sterren hun toebehoorden, toen zij alle
levenswetten van Moeder Aarde hadden beleefd, keerde zij tot hun hemel
terug.
Christus openbaarde zich opnieuw. Hij manifesteerde zich aan hun levens,
maar intussen waren er zeven eeuwen voorbij gegaan. Zeven eeuwen lang
waren de apostelen op reis geweest, en met hen miljoenen andere zielen,
om zich de wetten van God eigen te maken, om het hogere bewustzijn te
verdienen door het leven te aanvaarden, te beleven, want graad na graad,
wet na wet werd hun geopenbaard door de stoffelijke en astrale
openbaringen, die door God als een Vader van Liefde zijn geschapen.
Toen eerst begrepen zij, dat zij niets voor deze mensheid hadden kunnen
doen, niets! Maar ze begrepen nu wie tot Mozes heeft gesproken. Zij wisten
nu hoe de eerste mensheid, het eerste leven op aarde, als mens een geloof
heeft ontvangen. Ze begrepen nu de stoffelijke openbaringen op Moeder
Maan en ook waarom de maan reeds stervende is. Het universele begrip
was hun geschonken, de heilige waarheid van God, de heiligste
openbaringen van het zijn en niet zijn. Zij echter konden het bewust
beleven, want zij maakten deel uit van deze oneindigheid. Zo gingen zij
verder, volgden de mensheid op aarde en zagen hoe de hemelen inwerkten,
hoe de hemelen bezig waren het menselijke peil op aarde op te voeren. Zij
begonnen aan hun eigen taak, beleefden de aardse mensheid, daalden af,
opnieuw, in het vader- en moederschap, en zagen waardoor het kind
geboren werd in de moeder, hoe deze wetten zich verstoffelijkten en
vergeestelijkten , die door de ziel waren beleefd, als mens maar vanuit een
embryonale toestand. Toen zij dat hadden beleefd, keerden zij terug naar de
zevende hemel in ons bestaan, van waaruit wij tot u spreken, om zich
gereed te maken voor het volgende stadium, de vierde kosmische
levensgraad, een planetenstelsel, dat onzichtbaar is voor u en de geleerden
van de aarde, maar niettemin bewust wordt beleefd door het menselijk
wezen als man en vrouw, die bezig zijn terug te keren tot God en over
miljoenen jaren het Al zuilen bevolken om Christus dan eerste te leren
kennen. Toen, mijn geliefden, u voelt het zeker wel, maakten miljoenen
zielen zich gereed om de mensheid tot een hoger bewustwording te
brengen. De mensheid kreeg het stoffelijk bewustzijn. Christus was op
aarde vergeten, aan Hem dacht men niet meer. Het joodse volk leefde zich
uit, voor hen zou de Messias nog komen, en de kinderen van Christus op
aarde beleefde zichzelf, de heidenen overheersten op deze wereld. De
enkelen, die God hadden leren kenen, maakten zich los van de massa en
zouden eens hun einde op Moeder Aarde beleven om in de astrale wereld
het leven voort te zetten.
Er zijn in die jaren wonderen op aarde geboren, stoffelijke tekenen; de
aardse geleerden werden bezield. Zij stonden plotseling voor het ogenblik,
dat zij niet verder konden, maar ineens wisten zij, zoals zij zeiden:
“Ik legde me neer en ging slapen en toen was het alsof ik droomde. Ik werd
wakker en toen had ik het beeld ontvangen van wat ik moest doen.”
Toen een groot uitvinder het licht op aarde deed geboren worden, was hij
in ons leven opgetrokken en werd hij bezield door de engelen uit de
hoogste sferen. Toen sprak de hemel tot zijn persoonlijkheid. Er is geen
uitvinding in stoffelijke toestand geboren of het werd u door de astrale
wereld geschonken, door de engelen van Christus. De aardse wijsheid,
vertegenwoordigd door uw Plato, Socrates, Aristoteles en vele anderen,
door Boeddha, Mohammed, Ramakrishna en hen, die thans nog bij u zijn, zij
zijn allen bezield door een andere sekte, door de bron, waaruit wij putten,
door de orde, waaraan ook ik ben verbonden. Wij hebben hier steen op
steen gelegd om de mensheid naar een hoger stadium op te voeren, Wij
kregen wijsheid en schonken die aan de aardse mensheid. uw grote denkers
gaven door, wat zij voelden en bewust beleefden, maar toch kwamen zij
tot nu toe nog niet tot de astrale geestelijke hoogte, en dat was ook niet
mogelijk, want wie enigszins de geschiedenis kent, weet dat voor korte tijd
een bewuste op de brandstapel werd gelegd om te worden vernietigd,
andere kinderen van Christus moesten in de leeuwenkuil afdalen en werden
een prooi voor de wilde dieren. De mystiek aangelegden werden gekist of
levend verbrand; en dat door een kerk, die zeide de kerk van Christus te
zijn. Christus. bracht het heilig Evangelie en de liefde, de Goddelijke Liefde,
en Hij moest nu aanvaarden, dat men Zijn leer niet had begrepen. En toch,
Hij is de meester, die al die miljoenen zielen heeft bezield, de wetenschap
heeft opgevoerd, die maakte dat de zeeën konden worden bevaren, die het
bewustzijn van de mensheid heeft opgevoerd en heeft gemaakt dat steen
op steen werd gelegd om die hoogste geestelijke bewustwording te
verkrijgen.
Miljoenen afgezanten van Hem kregen een eigen taak toegewezen. En ge
kunt zelf nagaan hoe van Mozes af het leven op aarde is veranderd.
Er zijn technische wonderen geboren – voor wat?
Er is intuïtie geschonken – voor wie?
Welke mensen zijn het, die deze intuïtie hebben begrepen? Het boek: “De
volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien” wil u al deze wetten verklaren,
want het is door Christus, dat wij dit boekwerk aan uw aardse mensheid
mochten schenken. Als ik dan het verleden even loslaat en mij begeef naar
het huidige stadium, dan moet ik mij wel afvragen, ook al zie ik uw
verhoogde persoonlijkheid en de afstemming van uw eigen leven, hoe er
toch miljoenen mensen zijn geweest, die aan een God van Liefde hebben
getwijfeld, hebben getwijfeld aan het Goddelijke woord!
Daarnaast hebben miljoenen zielen gebeden, dat de mensheid vrij zou
mogen blijven van haat en geweld; maar niets, niets heeft geholpen.
Waarom heeft de mensheid deze ellende beleefd?
Waarom moest de mensheid door al die narigheid, door de martelingen
van de demonen der hel?
Is dat noodzakelijk geweest?
Waarom kon God niet ingrijpen?
Waarom heeft God Christus niet gestuurd?
Hebt gij niet één ogenblik getwijfeld?
Is niet in u opgekomen het gevoel: wij zijn alleen gelaten?
Hoe kan God één mens de macht en kracht geven om heel de mensheid in
de ellende te storten?
Toen één hunner dacht het zwarte kind in het oerwoud te kunnen
vernietigen alleen om een stuk grond te bemachtigen, om “levensruimte” te
bezitten, bad heel de mensheid, dat dit niet zou geschieden. En toch, deze
eenling, hij ging. Hij brak af wat door anderen was opgebouwd. Hij stenigde
opnieuw het leven van Christus.
Waarom riep God hem geen halt toe?
Waar zijn de sferen van licht en de engelen, waarover Christus heeft
gesproken?
Waar zijn de apostelen, die toch met ons moesten leven en zeker niet
kunnen goedvinden, dat heel de mensheid vernietigd wordt?
Hoe kan God goed vinden, dat vrouwen en kinderen, ja, vooral het kind, uit
het leven worden gerukt?
Hoe kan een God van Liefde dit goed vinden?
“Waarom,” zo heeft de mensheid geroepen en gebeden, “laat God ons
alleen?”
Het joodse volk keek intussen naar de wolken en vroeg zich af: Waar blijft
de Messias?
Had het gelijk?
Waar leeft Caiphas?
Waar is Judas?
Waar leeft hij, die Gods kind in het gelaat heeft gespuwd en Hem
vernederde?
En zijn zoon, die riep: “Kruisigt Hem!” en die maakte dat die kinderen, die
onbewusten, zichzelf zo konden vergeten.
Waar is Pilatus, die zijn handen heeft gewassen in onschuld?
Waar zijn die mensen, die zielen, die kinderen van God, die het hebben
aangedurfd Gods Zoon bewust te vernietigen?
Mijn zusters en broeders, zij leven nog, enkelen van hen maken deel uit
van de oneindigheid, levenswaarheden in de kosmos, en anderen van het
leven op aarde. Hoort gij? Ik verbind u onmiddellijk met de wedergeboorte.
Ik moet u zeggen, dat gij als Vader en moeder naar de aarde kunt
terugkeren. Indien dat niet mogelijk was geweest, leefden wij allen nog op
Moeder Maan, dan waren er geen evoluties geweest, in stoffelijke noch in
geestelijke toestand; maar het leven van God zet het evolutieproces voort
niet alleen stoffelijk, maar ook geestelijk. Ik zeg u: door de hemelen zult ge
het kosmisch bewustzijn ontvangen. Ge zult niet meer behoeven te
geloven, maar ge zult weten.
De Eeuw van Christus neemt een aanvang. Wat Christus u had willen
vertellen, wat Christus aan de mensheid had willen schenken, brengen wij u
thans; nu ontvangt ge het werkelijke weten.
Wij zullen u met Moeder Maan en Mars, met alle stelsels in de ruimte, die
zijn ontstaan, verbinden. Wij zullen nu komen en u mogen vertellen in
naam van Christus, dat gij de aarde hebt geschapen, dat gij de maan hebt
geschapen; wij zullen u vertellen van Mars, verder en dieper in de ruimte
gaan, waarvan men op aarde nog niets weet. Verklaar mij een waanzinnige,
maar wij zullen u wet na wet ontleden, want Christus gaf ons die macht.
Het is het woord, dat Hij aan de mensheid had willen geven, maar waarvoor
de mensheid nog geen bewustzijn bezat. Dat hebben de apostelen moeten
aanvaarden en de engelen in de hemel mogen zien. Nu, nu de heidenen zijn
overwonnen en de volkeren van Israël bewust zijn geworden van het goede,
nu uit de astrale werelden het woord tot u komt, verenigt u, maakt u één,
verbindt u, volkeren, en hebt lief, breekt af wat de demonen der hel u
hebben willen schenken. Ge zult ziende zijn. Ge zult mogen weten wat u
het leven heeft geschonken. Ge zult nu, door de Eeuw van Christus mogen
weten, wij zullen u terugvoeren naar Moeder Maan en daar zult ge, zoals
Petrus en Johannes, moeten aanvaarden, dat waarlijk de God van al het
leven, die alleen liefde is, tot Moeder Maan heeft gesproken.
Wij breken alle fundamenten af, die de ziel dwingen het omlaaghalende
ik-zijn van de eigen persoonlijkheid te dienen. Wij bouwen op, wat diep in u
leeft: en wat een stimulans zal zijn voor het uur voor de geestelijke en
goddelijke ontwaking. Ge zult u zelf als vader en als moeder leren kennen.
Ge zult het leven zien van uw kind als een vooreeuwse persoonlijkheid. Wij
voeren u terug tot de tempels van Ra, Re en Isis, want wij hebben de
macht en de kracht in handen gekregen, die eens aan de mensheid beloofd
was. Mijn zusters en broeders, ik spreek tot uw menselijke intellectualiteit,
tot uw soort, tot uw eigen woord, tot hetgeen gij van de mensheid en de
aarde hebt gemaakt; en dan staan we voor uw eigen bewustwording. Dan
staat ge voor uw persoonlijkheid. Dan staan wij voor uw dokter, als hij zich
het halt voelt toegeroepen en het hem toevertrouwde verliest ondanks zijn
kunde en ervaring. Leven en dood beslissen. Maar een dood is er niet! Wat
gij dood noemt, is het verder gaan naar een andere wereld, naar andere
ruimten van God, want gij zijt goden. De Eeuw van Christus wil u
overtuigen. Ze wil u bezielen en schenken hetgeen Christus nog te
schenken had. De Eeuw van Christus voert u tot de onmetelijkheid van
God, maar tevens tot het heilige leven, dat u als man en vrouw, vader en
moeder kunt beleven, als hemel en aarde elkaar raken. Ik wilde u verbinden
met het verleden van uw leven. Hebt gij niet gevoeld, heeft de menselijke
geschiedenis u niet aangetoond, dat er altijd, altijd ingegrepen werd door
de hogere machten, die toch niet werden gekend. Als er iets op aarde
geschiedde met een catastrofale betekenis voor de mensheid. dan leefde
naast het kwaad ook het goede. Maar het goede blijft onzichtbaar, het was
niet aan te voelen, en toch stond er plotseling een mens op, die als een
Godsgeschenk was neergedaald en tot taak had de aardse mensheid op te
vangen. Voor alle tijden heeft het leven van God tot het uwe gesproken. Of
dacht ge dat het voor de ruimte mogelijk was, dat het goede het zou
moeten verliezen tegenover het kwade en het evenwicht tussen kwaad en
goed onherstelbaar kan worden verbroken. Hebt ook gij in deze tijd niet
gedacht, dat het kwaad zou overwinnen? Velen onder u hebben het moeten
aanvaarden, hun geloof was niet sterk genoeg en toch – hebben de
profetieën het u niet verteld? Is er niet gezegd, dat het dier met al zijn
koppen toch zou Worden vernietigd? Wij gaven dit aan het leven, waardoor
wij spreken, door – ook al zouden de sprinkhanen uit het Oosten het
moeten doen, dan nog zou en moest uw beul verliezen, want Christus leeft.
Wij hebben voorspeld dat gij zoudt hongeren en dat ge geen hout meer
zoudt hebben om uw lijken te begraven. Wij hebben voorzien en voorspeld
hoe het eens zou gaan en schreven daarvoor het boek “De Volkeren der
Aarde door Genen Zijde bezien.” Zegt het u niets? Om dat te kunnen, mijn
zusters en broeders, is er in de hemel een groot plan opgemaakt.